Archeologie op sportsite
Graafkranen en archeologen op een bouwterrein, het is ondertussen een vertrouwd gezicht. Maar wat doen zij daar precies? Waarom staan ze op de ene locatie met hun laarzen in de modder en volstaat voor andere plekken opzoekwerk van achter hun bureau? En wat houdt zo’n archeologisch onderzoek in de praktijk in? We vertellen het je graag.
Een archeologisch onderzoek bestaat uit drie belangrijke stappen: een archeologisch bureauonderzoek, een archeologisch vooronderzoek en eventueel opgravingen. De resultaten van de bureaustudie en het vooronderzoek bundelen we in een archeologienota. Die is verplicht bij het aanvragen van een omgevingsvergunning of verkavelingsvergunning.
Om uit te leggen hoe een archeologisch onderzoek in de praktijk verloopt, gebruiken we het voorbeeld van een gemeente die een sportcomplex wilt aanleggen naast een bestaande sporthal. In totaal wordt 1,4 hectare voor het eerst bebouwd.

Bureaustudie
Uit onze bureaustudie blijkt dat op deze terreinen potentieel sporen van bewoning en begraving te vinden zijn, uit de periode van het mesolithicum (de steentijd) tot en met de late middeleeuwen. De gemeente geeft aan het terrein niet te ontwikkelen als ze geen vergunning krijgt. Om economische redenen stellen we daarom de archeologienota op basis van het bureauonderzoek op. De archeologienota verduidelijkt dat het uitvoeren van een vooronderzoek via uitgesteld traject aangewezen is.

Archeologisch vooronderzoek
Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit archeologische prospecties, een booronderzoek dat een landschappelijk bodemonderzoek en/of een archeologisch booronderzoek omvat, en een proefsleuvenonderzoek. Alle onderzoeken dienen een ander doel en kunnen niet verwisseld worden.

Landschappelijk bodemonderzoek
Het landschappelijk bodemonderzoek bestaat uit enkele handmatige boringen. Daarmee stellen we de opbouw van de bodem en de diepte van het archeologisch niveau vast. Gaan de geplande werken niet zo diep dat ze het archeologisch niveau raken? Dan kunnen archeologische resten in situ blijven en is verder archeologisch onderzoek niet nodig.
Verder zoeken we naar mogelijke verstoringen en bodemlagen met daarin werktuigen uit de steentijd. Zijn die niet aanwezig, dan slaan we het archeologisch booronderzoek over. Op het terrein naast de sporthal blijkt de bodem niet verstoord te zijn. Bovendien treffen we bodemlagen aan waarin werktuigen uit de steentijd kunnen zitten. Dat betekent dat we aansluitend een archeologisch booronderzoek uitvoeren.
Archeologisch booronderzoek
Bij het archeologisch booronderzoek zetten we boringen op korte afstand van elkaar. De opgeboorde grond zeven we om te kijken of er stenen werktuigen in zitten. Is dit het geval? Dan doen we een steentijdonderzoek met een opgraving op het deel van het terrein waar ze gevonden zijn. Naast de sporthal vinden we geen werktuigen uit de steentijd, dus beginnen we met het proefsleuvenonderzoek.



Proefsleuvenonderzoek
Tijdens deze fase graven we sleuven om vast te stellen of op het terrein mensen gewoond hebben of begraven zijn. Aanwijzingen daarvoor zijn vondsten zoals scherven van aardewerk, metalen voorwerpen en botten en sporen van graafactiviteiten uit het verleden. Denk daarbij aan de kuilen waarin houten palen voor de wanden of het dak van een huis stonden, of aan diepe kuilen waarin crematieresten of skeletten begraven zijn.
In dit archeologisch onderzoek treffen we sporen van huizen, bijgebouwen en waterputten en grote kuilen met aardewerk afval uit de ijzertijd aan in de proefsleuven. Het is de eerste keer dat we in deze omgeving aanwijzingen voor bewoning uit de ijzertijd vinden. Sporen en vondsten zijn sowieso aanleiding voor het opgraven van het terrein. In dit geval levert dat veel extra informatie over de bewonersgeschiedenis van deze regio op.
Opgraving
Een opgraving is het meest ingrijpende archeologische onderzoek. Om er voor te zorgen dat de bouwheer zo min mogelijk vertraging oploopt, werken we met één of meerdere teams. Verder zetten we twee graafmachines in om de putten uit te graven en terug dicht te gooien. Op die manier slaagden we erin om dit terrein binnen 2,5 week volledig vrij te geven.
Na de opgraving begint de analyse van de sporen en vondsten. We wassen, tellen, wegen, beschrijven en dateren de vondsten. Alles wordt in een database vastgelegd. De sporen wijzen we toe aan structuren, zoals huizen, omgreppelingen van erven en waterputten. Gespecialiseerde labo’s dateren de sporen en voeren wetenschappelijk onderzoek uit op zaden, pollen en dierlijke resten.
Na het uitvoeren van alle analyses publiceren we het verhaal van deze plek in een rapport. Dat vormt het sluitstuk van een archeologisch onderzoek in de praktijk.
Moet u een verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning aanvragen? Contacteer ons voor een snelservice archeologienota. Die zit binnen 3 werkdagen in uw mailbox. Ook over de rest van uw archeologisch traject ontfermen we ons professioneel en efficiënt.